 |
 |
|
 |
 |
Al die willen te kaap'ren varen moeten mannen met baarden zijn. Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden, Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee!
Al die ranzige tweebak lusten moeten mannen met baarden zijn. Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden, Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee!
Al die deftige pijpkens smoren moeten mannen met baarden zijn. Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden, Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee!
Al die van stormen en golven houden moeten mannen met baarden zijn. Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden, Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee!
Al die met ons de walrus killen moeten mannen met baarden zijn. Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden, Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee!
Al die dood en duivel niet duchten moeten mannen met baarden zijn. Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden, Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee!
Al die willen te kaap'ren varen moeten mannen met baarden zijn. Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, die hebben baarden, Jan, Pier, Tjores en Corneel, die hebben baarden, zij varen mee!
,
Daar was laatst een meisje loos die wou gaan varen, die wou gaan varen daar was laatst een meisje loos die wou gaan varen voor matroos.
Zij nam dienst voor zeven jaar omdat zij vreesde, omdat zij vreesde zij nam dienst voor zeven jaar omdat zij vreesde geen gevaar.
Toen bracht zij haar goed aan boord al naar behoren, al naar behoren toen bracht zij haar goed aan boord gelijk er een brave matroos behoort.
Zij moest klimmen in de mast maken de zeilen, maken de zeilen zij moest klimmen in de mast maken de zeilen en touwtjes vast.
Doch door het stormen van het weer sloegen de zeilen, sloegen de zeilen doch door het stormen van het weer sloegen de zeilen van boven neer.
Nu werd zij gebonden voor de mast met haar handen, met haar handen nu werd zij gebonden voor de mast met haar handen en voeten vast.
Zij riep: Kapiteintje, sla mij niet! Ik ben uw liefje, ik ben uw liefje. Zij riep: Kapiteintje, sla mij niet! Ik ben uw liefje, gelijk gij ziet.
Maar eer het scheepje was aan wal was er het jonge, was er het jonge maar eer het scheepje was aan wal was er het jonge matroosje al.
Toen zij nu weer kwam in de stad waar zij nog eene, waar zij nog eene toen zij nu weer kwam in de stad waar zij nog eene moeder had
Riep zij: moeder, wordt niet boos ik heb gevaren, ik heb gevaren riep zij: moeder, wordt niet boos ik heb gevaren voor jong matroos.
Bij één die mij oprecht bemint heb ik dit kleine, heb ik dit kleine bij één die mij oprecht bemint heb ik dit klein onnoozel kind.
Maar eer het weder Pinkster is word ik zijn vrouwtje, word ik zijn vrouwtje maar eer het weder Pinkster is word ik zijn vrouwtje, dat is gewis.
|
|
 |
|
Hallo!
Probeer uw eigen website te maken, net als ik!
Het is makkelijk en u kunt het gratis proberen
ADVERTENTIE
|